De laatste dagen van mijn vakbondsbestuurderschap breekt aan. Komende woensdag en donderdag ben ik nog in functie op het congres van Abvakabo FNV bij het vaststellen van het beleidsplan voor de komende vier jaar, maar als ik op donderdag de deur achter mij dicht trek ben ik gewoon vakbondslid geworden.
Ik ben meer dan 20 jaar professioneel actief geweest binnen de FNV. Het paste me als een goedzittende handschoen; mensen organiseren, met elkaar doelen formuleren en proberen die te bereiken. CAO's, sociale plannen, slechte arbeidsorganisaties verbeteren, pensioenregelingen; ze zijn in alle vormen voorbij gekomen. Ik ben trots op veel van die resultaten.
Ik heb op veel verschillende plekken in de bond gewerkt en nu sluit ik af als verantwoordelijk bestuurder voor dé bond in de publieke sector. Een publieke sector waar ik altijd veel mee heb gehad, misschien omdat m'n vader ambtenaar was en m'n moeder kleuterjuf? Of is het mijn innerlijke overtuiging dat een maatschappij zonder sterke publieke sector een maatschappij is zonder verbinding tussen mensen in de kwaliteit van hun bestaan? Zeker dat laatste.
En ja, als de vuilnismannen staken merken we maar weer hoe belangrijk het werk in de publieke sector is. De kwaliteit van het bestaan van een ieder is mede afhankelijk van goede publieke voorzieningen.
Terug naar mijn werk voor en in de bond. Van de laatste acht jaar als hoofdbestuurder van Abvakabo FNV zijn vooral de laatste vier jaar bijzonder geweest. Want de nadruk van ons werk als bestuur lag niet, zoals we gewend waren, op het realiseren van veranderingen in de buitenwereld maar ook en veel op het veranderen van de binnenwereld; de bond zelf.
Begin 2006 begon het ledenverlies zichtbaar te worden en werd zichtbaar dat er écht wat moest gebeuren om de bond ook in de toekomst een rol van betekenis te laten spelen. Binnen het bestaande economische systeem waarin werknemerschap nog steeds een belangrijke rol speelt is een vakbond geen wetmatigheid maar wel, in mijn visie, een broodnodig speler om de arbeidsverhoudingen in balans te krijg en/of te houden en de belangen van werknemers te behartigen.
We constateerden dat we als bond stil stonden. Ledenverlies en onherkenbaarheid was het gevolg. Maar het ledenverlies was niet alleen een kwantitatief probleem, de samenstelling van het ledenbestand was eigenlijk een veel groter probleem. We noemen het de tsunami-grafiek waarin je kan zien dat de bond groot is geworden en wordt gehouden door de generatie die in de jaren 80 massaal lid zijn geworden. Daar zit nog steeds de groep die onze bond groot houdt. Als die groep over 10, 15 jaar afhaakt wordt de bond in één keer gehalveerd of nog erger.
Die probleem analyse maakten we in 2006 en op basis daarvan hebben we als bestuur de nieuwe missie, visie en strategie opgesteld.
Dat ging niet zonder interne strijd en discussie maar in 2008 hebben we op ons bijzonder congres in gezamenlijkheid de koers vastgesteld en zijn we volop aan de bak gegaan.
Het motto: groei & vernieuwing.
In de uitvoering hoort wat mij betreft, zoals elke organisatie die zichzelf serieus neemt, gebruik van de nieuwste inzichten en methodes om het doel te bereiken.
Dat hebben we gedaan; marketingmethodes om ledengroei te realiseren. Organising als nieuwe methodische werkwijze voor vakbondswerk op de werkvloer. Management om onze werkorganisatie aan te sturen. Een werkgroep van kaderleden die met professioneel advies aan de slag ging met voorstellen voor vernieuwing van de vereniging. Duidelijke rolverdeling tussen de verschillende organen binnen de vereniging.
Het heeft successen opgeleverd. Zichtbare successen zoals ledengroei, een geweldige pilot organising, nieuwe dynamiek zichtbaar in sectorplannen én CAO-resultaten, investering in vakbondsconsulenten en andere kaderleden.
Het heeft het echter ook veel onrust opgeleverd; soms uit angst voor verandering, soms oneens met het soort verandering, soms oneens op de inhoud.
Het heeft relaties verstoord, binnen de vereniging, tussen bestuur en delen van de vereniging.
Het heeft geleid tot een groot aantal kandidaten bij de bestuursverkiezing het komende congres. Ik ben geen kandidaat, niet omdat ik niet geloof in de bond van de toekomst; integendeel. Maar omdat ook ik een 'kind van mijn tijd' ben die niet levenslang hetzelfde wil blijven doen maar ook mezelf wil ontwikkelen op andere terreinen.
Het geeft me nu ietsje meer afstand om te kijken naar hetgeen zich momenteel in de top van de bond zich afspeelt.
De veelheid aan kandidaten met leuzen als 'wij dichten de kloof', 'wij willen er meer vakbond van maken' 'wij gaan voor groei & vernieuwing' zeggen wat mij betreft vooral één ding.
Al die leden, bestuurders, medewerkers, bondsbestuurders die zich terecht druk maken over de bond delen niet dezelfde probleemanalyse. En dat is misschien op dit moment wel het échte probleem van onze bond. De één vindt een veronderstelde kloof een probleem, de ander vindt ideologische keuzes een probleem, de één dat we te weinig in de media komen, de ander dat we oude trouwe kaderleden onvoldoende waardering geven. De één dat de bondsraad onvoldoende macht heeft, de ander dat we teveel door moties worden 'geregeerd''. Ik kan nog wel even doorgaan.
Er is volgens mij echter maar één probleem, wat ook met keiharde feiten te staven valt; het toenemende gebrek aan representativiteit van en in de bond.
Van de bond; we zijn geen afspiegeling van de arbeidsmarkt in onze sectoren. Niet in leeftijdsopbouw, niet in man-vrouw verhouding, niet in culturele achtergrond, niet in opleidingsniveaus.
In de bond; onze actieve kaderleden zijn geweldig maar vormen geen afspiegeling van ons ledenbestand laat staan van de arbeidsmarkt. En doordat de oude vormen van de representatieve democratie niet meer werken, hebben we daar last van.
Een bond die pretendeert voor dé werknemers in de publieke sector op te komen en goede afspraken wil maken, die resultaten wil boeken, die serieus genomen wil worden als gesprekspartner MOET representatief zijn. Niet tot drie cijfers achter de komma, en ook niet persé in alle beroepsgroepen in gelijke verhouding (de lage en middengroepen hebben tenslotte meer redenen zich te organiseren dan de hogere groepen) maar niet zo eenzijdig als nu.
Het gebrek aan representativiteit leidt tot meer dan alleen het risico van afnemende invloed. Het leidt ook tot bescherming van de belangen van één groep, nl de groep die zich wel georganiseerd heeft. Je kan het die groep niet kwalijk nemen; je wordt tenslotte lid van de bond om je belangen behartigd te krijgen. Als voor jou de beste manier is om te verdedigen wat je hebt, dan is dat zo. Maar zijn we dan nog de brede bond voor alle werknemers die we pretenderen te zijn?
Gebrek aan representativiteit leidt er ook toe dat er onvoldoende input komt van anderen dan degene die al jaren lid zijn. Mensen met andere opvattingen over de belangenbehartiging. Die verder willen en moeten kijken dan het verdedigen van wat er is maar ook willen veranderen wat beter kan. Deze input mist ten ene malen.
Als coördinator arbeidsvoorwaardenbeleid en in het bestuur verantwoordelijk voor het beleid rond arbeid & inkomen heb ik vernieuwing en verandering gemist. De keren dat ik het geprobeerd heb; levensloop arrangementen als aantrekkelijke arbeidsvoorwaarde promoten, een flexibele AOW (beiden tijdens het congres in 2006) is het afgewezen. Waarbij ik overigens vaststel dat we bij beide onderwerpen zijn ingehaald door de realiteit en het tegenwoordig de gewoonste zaak van de wereld is. Maar we hebben dus wel de kans laten lopen om zélf vernieuwend bezig te zijn en het als onze eigen vernieuwende agenda te presenteren.
.
In de afgelopen 20 jaar heb ik de vakbeweging zien veranderen in een beweging die zelf onvoldoende agendeert maar vooral in reactie op anderen komt met ideeën. Het flexibele AOW plan van de FNV kon er alleen komen onder politieke druk van buiten. Er is onvermogen en gebrek aan bereidheid om zelf iets te willen veranderen.
Het laatste zelf geagendeerde onderwerp waar we ons positief mee hebben onderscheiden was de Arbeidsduurverkorting. Door de vakbeweging geagendeerd én binnen gehaald. Maar vanaf de midden jaren 90 (36 urige werkweek gerealiseerd) is het niet meer mogelijk gebleken om zelf met initiatieven te komen én dus offensief de arbeidsverhoudingen en voorwaarden te veranderen. Dat wil niet zeggen dat we stil hebben gestaan in ons denken en beleidsvorming. Maar het was vaak reactief en gaf ons dus onvoldoende kans om zelf het voortouw te nemen én de resultaten op ons conto te schrijven.
Ik 'geloof' in een brede vakbeweging die mensen van alle gezindten, politieke kleur in zich bergt en voor hun belangen opkomt. Maar ik 'geloof' ook in een vakbeweging die niet bang is voor verandering en zichzelf en het beleid vernieuwt. Die blijft belangen beschermt maar ook kan vernieuwen om aan kracht te winnen. Niet voor niets is mijn lijfspreuk "when you preserve progressive thoughts they might become conservative'.
De vakbeweging moet meer kunnen zijn en zeggen dan 'handen af' maar moet ook het lef hebben om te zeggen 'handen op elkaar voor levensloopregelingen' 'handen op elkaar voor échte flexibiliteit'. En, intern; 'handen op elkaar voor nieuwe vormen waarbij we ons realiseren dat we ons moeten richten op wat onze (potentiële) leden willen en niet wat wij als exclusief clubje hebben bedacht'.
Daarom is het nodig de structuren en cultuur binnen de vakbeweging veranderen, we naar buiten kijken wat onze (potentiële) leden willen en niet bang zijn om zowel vorm als inhoud eens anders te doen. Daarmee verloochenen we niet ons bestaansrecht en basis maar daarmee kunnen we die juist versterken
Ik zal dat met belangstelling van de zijlijn gaan volgen en wens mijn opvolgers daar veel succes mee. Ik wens ze lef toe om de noodzakelijke inhoudelijke en organisatorische veranderingen vorm te geven. Zodat die krachtige organisatie van mensen in arbeid & inkomen een mooie toekomst tegemoet gaat.